Toekomstvoorzieningen

De AOW-leeftijd gaat minder snel omhoog in de komende jaren, dat is één van de gepresenteerde Prinsjesdagmaatregelen rondom het Pensioenakkoord. In het thema toekomstvoorzieningen gaan we dieper in op onder andere deze wijziging en op het verdwijnen van het verschil tussen de tweede en derde pijler van het pensioen.

AOW-leeftijd minder snel omhoog

Voor de jaren 2020 en 2021 is de AOW-leeftijd gesteld op 66 jaar en 4 maanden. In 2024 wordt de AOW-leeftijd 67 jaar. Na 2024 stijgt de AOW-leeftijd mee op basis van een nieuw vast te stellen koppeling.

Momenteel is de stijging van de AOW-leeftijd 1:1 gekoppeld aan de stijging van de levensverwachting. Die koppeling wordt versoepeld. Eén jaar hogere levensverwachting wordt vertaald naar acht maanden langer wachten op AOW.

Verder neemt het kabinet extra maatregelen om te bewerkstelligen dat werknemers langer kunnen blijven doorwerken. Ook wil het kabinet vervroegde uittreding interessanter maken, onder andere door het gedeeltelijk vrijstellen van inkomsten van mensen die gebruik maken van de Regeling voor Vervroegde Uittreding (RVU).
Voor bovenstaande extra maatregelen stelt het kabinet een bedrag van € 800 miljoen beschikbaar; dat bedrag zal worden ingezet in overleg met sociale partners.

Verschil pensioen tweede en derde pijler verdwijnt

Op dit moment bouwt ruim 87% van de werknemers een aanvullend pensioen op door verplichte deelname aan een pensioenregeling via de werkgever. Dit noemen we de tweede pijler van het Nederlandse pensioenstelsel. In de derde pijler van het pensioenstelsel kunnen mensen op eigen initiatief individuele pensioenproducten afsluiten.

Deze derde pijler wordt in het nieuwe pensioenstelsel fiscaal gelijkgetrokken met de tweede pijler. Hierdoor krijgen zelfstandigen meer mogelijkheden om pensioen op te bouwen. In de toekomst zullen wijzigingen in de tweede pijler ook gelden voor de derde pijler.

Er ligt een wetsvoorstel om deelnemers bij pensionering meer flexibiliteit te bieden in de aanwending van hun pensioenvermogen. Hierdoor kan een deel van de waarde van de opgebouwde aanspraken onder voorwaarden worden afgekocht.
Als dit wetsvoorstel leidt tot een wet, zal deze ook gaan gelden voor pensioenen in de derde pijler.

Voorbeeld

Johan is begin 2017 geëmigreerd naar Frankrijk. Hij heeft sinds 1990 tot 2017 pensioen opgebouwd bij verschillende werkgevers. Daarnaast heeft Johan in 1991, 1995, 2000, 2001 en 2010 lijfrentekoopsommen gestort. Bij emigratie heeft de inspecteur een conserverende aanslag opgelegd. Alle lijfrente- en pensioenaanspraken zijn daarin betrokken. Het belastingverdrag met Frankrijk kent dit land een exclusief heffingsrecht toe voor pensioen en lijfrenten.

Door de uitspraak van de Hoge Raad is duidelijk geworden dat de aanslag ten onrechte is opgelegd voor de aanspraken die samenhangen met de lijfrentekoopsom uit 1991 en 2001 en Johans tot 16 juli 2009 opgebouwde pensioen. Voor de overige lijfrente- en pensioenaanspraken is de aanslag wel terecht opgelegd.

Overgangsrecht saldo lijfrente

Er geldt sinds 2001 een overgangsrecht voor twee soorten oude lijfrenten:

  • Lijfrenten waarvan de premies in geheel niet aftrekbaar waren (zuivere saldolijfrenten); en
  • Diverse vormen van lijfrenten waarvan de premies deels wel en deels niet aftrekbaar waren (hybride lijfrenten).

Dit overgangsrecht eindigt per 1 januari 2021. Op die datum gaan deze lijfrenten over van box 1 naar box 3. De polishouder moet dan in box 1 belasting betalen tegen een tarief van 45% over de waarde van (dit deel van) de saldolijfrente, verminderd met de niet-afgetrokken premies.

Het voorstel is om het overgangsrecht voor bepaalde lijfrenten/pensioenen niet te beëindigen en de afrekenverplichting te laten vervallen. Dan vindt heffing plaats over de uitkeringen in box 1 op het moment dat deze worden genoten (met toepassing van de saldomethode). Dit zou gelden voor de hybride saldolijfrenten en voor buitenlandse pensioenrechten die vergelijkbaar zijn met tweede pijler pensioenen in Nederland, met als doel het verzorgen van de oude dag. Over het saldo van deze pensioenen zou anders ook in één keer in box 1 belasting betaald moeten worden. Dit gebeurt dan in plaats van geleidelijke belasting van dit saldo in box 1.

Voor de zuivere saldolijfrenten blijft de beëindiging van het overgangsrecht en de afrekenverplichting wel in stand. Reden is dat met deze producten uitstel van de uitkeringsfase en dus uitstel van de belastingheffing in box 1 naar de verre toekomst/andere generaties mogelijk is. Daarnaast hebben deze lijfrenten op geen enkel moment voldaan aan de voorwaarden voor een wettelijk gefaciliteerde toekomstvoorziening.

Voorbeeld

Johan is begin 2017 geëmigreerd naar Frankrijk. Hij heeft sinds 1990 tot 2017 pensioen opgebouwd bij verschillende werkgevers. Daarnaast heeft Johan in 1991, 1995, 2000, 2001 en 2010 lijfrentekoopsommen gestort. Bij emigratie heeft de inspecteur een conserverende aanslag opgelegd. Alle lijfrente- en pensioenaanspraken zijn daarin betrokken. Het belastingverdrag met Frankrijk kent dit land een exclusief heffingsrecht toe voor pensioen en lijfrenten.

Door de uitspraak van de Hoge Raad is duidelijk geworden dat de aanslag ten onrechte is opgelegd voor de aanspraken die samenhangen met de lijfrentekoopsom uit 1991 en 2001 en Johans tot 16 juli 2009 opgebouwde pensioen. Voor de overige lijfrente- en pensioenaanspraken is de aanslag wel terecht opgelegd.